Werken met visualisaties

Toegevoegd door Chris De Rijdt op 16.04.2012
Artikel

1. Wat zijn visualisaties en waarom worden ze gebruikt?

Volgens Van Dale’s woordenboek is visualiseren “een begrip als beeld voorstelbaar maken”.

Ik gebruik het begrip visualisaties als verzamelnaam voor tekeningen, afbeeldingen, pictogrammen (grafische symbolen), foto’s en voorwerpen. Ze worden gebruikt in combinatie met de gesproken en/of geschreven taal maar hebben nooit de bedoeling om de taal te vervangen.

Je kan ze gebruiken om diverse redenen:

- Om kinderen (leerlingen) informatie te geven zodat ze niet voor verrassingen komen te staan. Heel wat kinderen worstelen met vragen over wat er die dag op het programma staat of wat er concreet van hen verwacht wordt. Als activiteiten niet worden aangekondigd en belangrijke informatie niet wordt gegeven, komt het kind voor onverwachte wendingen te staan. Dit kan zich uiten in minder aangenaam gedrag waarmee ze ons op hun manier duidelijk maken dat ze zich onveilig voelen, dat ze niet weten wat er komen gaat en ze liever niet geconfronteerd worden met verrassingen.

- Om te zorgen voor duidelijkheid en voorspelbaarheid. Dit bevordert de zelfstandigheid van het kind. Het veelvuldig vragen stellen wordt uitgeschakeld. Vaak zie je dat kinderen het moeilijk vinden om hun eigen (school)werk te organiseren. Vragen zoals wat moet ik doen, waar moet ik werken, hoe lang, met wie (of bij wie kan ik wanneer terecht voor hulp) dienen voor het kind zo concreet mogelijk beantwoord te worden. Stappenplannen kunnen helpen om gebeurtenissen voorspelbaar te maken. Hoe verloopt een schooldag,  wanneer moet ik naar welk klaslokaal, hoe maak ik mijn boekentas, hoe verloopt een studiemoment, wat moet ik doen als ik een extra taak krijg, hoe maak ik mijn huiswerk,... 

- Om ordening te brengen in de tijd: waar anders woorden gebruikt worden om tijd te structureren en grip te krijgen op de dag, schakelen we nu kalenders, agenda’s, dagschema’s in.

- Als hulp bij het ruimtelijk ordenen van materiaal: wat moet waar liggen, hoe herkent men vaste plaatsen, hoe vind ik de juiste weg

- Ter ondersteuning van opdrachten, (deel)handelingen, taken of aandachtspunten

- Om nieuw gedrag of specifieke vaardigheden aan te leren.

- Om regels en afspraken op te frissen.

 

2.    Visualisatievormen

Je kan visualiseren door gebruik te maken van foto’s, tekeningen, pictogrammen, geschreven taal of voorwerpen (verwijzers). De keuze voor één van deze vormen wordt uiteraard bepaald door het communicatieniveau, de mogelijkheden , de intellectuele capaciteiten en eventuele beperkingen van het kind en zijn persoonlijke voorkeur of wensen. In mijn boek “werken met visualisaties” kan je hierover meer informatie vinden.

2.1.  Foto’s   

Ester Oskam (2002) ziet foto’s als een geschikt communicatiemiddel indien ze een bekende en herkenbare weergave zijn van de werkelijkheid en voldoen aan de volgende voorwaarden:

- “het onderwerp van de foto moet duidelijk op de voorgrond treden, tegen een neutrale achtergrond. Op de foto staat geen overbodige informatie die voor verwarring kan zorgen. Probeer je dus te beperken tot het essentiële. De foto moet voor verschillende doeleinden worden gebruikt: hij moet allerlei onduidelijkheden kunnen wegnemen”. 

- Bij het nemen van digitale foto’s moet je bovendien letten op de kleur, de belichting en de aard van de achtergrond. Onderzoek heeft uitgewezen dat foto’s het duidelijkste tot hun recht komen op een  grijsblauwe of beige achtergrond. Ik opteer echter voor een witte achtergrond. Bovendien moet je rekening houden met de juiste belichting. De schaduw rond het voorwerp kan bijvoorbeeld bij leerlingen met autisme meer de aandacht trekken dan het voorwerp zelf. Hetzelfde geldt voor foto’s met een achtergrond met een motief (bijvoorbeeld een stenen vloer). Dit leidt de aandacht af waardoor men de betekenis van het pictogram niet meer vat.

- Door het gebruik van een digitale camera en een computer kan je foto’s van concrete herkenningspunten uit het leven van het kind verwerken (bijvoorbeeld duidelijke foto’s van mama) tot individuele pictogrammen.

2.2.  Tekeningen

Voor sommige leerlingen zijn getekende beelden soms duidelijker dan kleurrijke prenten of figuren omdat zij nood hebben aan één duidelijke tekening zonder al teveel overbodige prikkels. Bij tekeningen geven we de werkelijkheid weer door uitsluitend de meeste noodzakelijke kenmerken van het begrip of de situatie waarnaar ze verwijzen te tekenen. Met tekeningen kan je echter niet alleen verwijzen naar een concrete situatie of gebeurtenis, maar kan je ook een volledig stappenplan uitwerken waarin de verschillende stappen die gezet dienen te worden gevisualiseerd worden.


2.3.  Pictogrammen

Pictogrammen zijn eenvoudige tekeningen die de betekenis van een situatie of een begrip duidelijk maken. Ze zijn abstracter dan voorwerpen of foto’s en zijn meestal herkenbaar door hun zwart-wit contrast.
© www.sclera.be

 

2.4.  Concrete voorwerpen - verwijzers

Deze voorwerpen verwijzen naar een situatie zonder dat je je al in deze situatie bevindt, ze worden immers aangeboden vlak voor de activiteit aanvangt. Het kind kan op die manier het verband leggen tussen het voorwerp en de situatie. De verwijzer wordt echter niet als gebruiksvoorwerp zelf gebruikt. De beker die getoond wordt voor het drinken, is bijvoorbeeld niet dezelfde als diegene waaruit men drinkt. Het voorwerp heeft wel een duidelijke eigenschap van het gebruiksvoorwerp waarnaar het verwijst en sluit aan bij de belevingswereld van het kind.   

 

2.5.   Geschreven taal

Vaak zien we over het hoofd dat de geschreven taal ook een visualisatievorm kan zijn. Wie kan lezen en schrijven of bepaalde letters kan herkennen, heeft niet altijd behoefte aan tekeningen, foto’s of pictogrammen. Woorden of eenvoudige geschreven lijstjes kunnen voldoende zijn om iemand aan iets te herinneren of om structuur in iemands dag aan te brengen.

Het spreekt voor zich dat de visualisatievorm anders zal zijn naarmate het kind ouder wordt. In het secundair onderwijs zal men bijvoorbeeld meer gebruik maken van geschreven taal of geschreven stappenplannen. De verschillende vakleraars stellen verschillende eisen, ook op het gebied van notities nemen. Bovendien moet je jezelf goed kunnen organiseren om het juiste boek mee te hebben op het juiste moment  .  

Ook het plannen op voorhand, het correct gebruiken van je agenda is voor heel wat kinderen niet zo makkelijk. Pictogrammen maar ook de geschreven taal (bijvoorbeeld doelijstjes) kunnen een hulpmiddel zijn om een overzicht te houden op al deze zaken. Het uurrooster visualiseren in kleur per vak door zeer concreet uit te leggen wat welke leerkracht verwacht, wat je telkens moet bij hebben en tegen wanneer welke taak voor welk vak moet klaar zijn, kan al een stap in de goede richting zijn. De handboeken en schriften per vak in een andere kleur kaften kan helpen. Een schoolagenda is voor kinderen een belangrijk hulpmiddel: als dit niet correct is ingevuld, kan men thuis ook niet verder. Vaak kan het kind zelf niet aangeven wat er verwacht wordt voor een bepaald vak en zorgt dit voor conflicten op het thuisfront. Voor het invullen van de agenda kan je een geschreven stappenplan maken. Indien de schriftelijke taal voor het kind niet volstaat, kan je de tekst ook ondersteunen met pictogrammen.

Ook de typische schooltaal die opduikt in de schriftelijke vragen en opdrachten kan voor onduidelijkheid zorgen.

Termen zoals bepaal, schets, duid aan .. het zijn voor ons als leerkrachten evidente termen maar voor kinderen zijn ze niet altijd zo duidelijk. Een vertaling in concretere omschrijving zou wonderen kunnen doen.

Een GON-begeleidster maakt bijvoorbeeld voor haar leerling met een autismespectrumstoornis voor elk vak kaartjes waarop de termen verduidelijkt worden zodat het kind voortaan weet wat de vakleerkracht precies verwacht en hoe deze termen een invulling krijgen binnen dit vak. Op die manier vermijd je verwarring en gaat er geen kostbare tijd verloren bij het maken van een toets.

Zo herinner ik mij de discussie die ontstond tussen een leerkracht en een kind met autisme. De juf vroeg haar “duid ¼ aan“ en het kind kleurde 3/4 van de taart in. In haar beleving had zij 1/4 aangeduid door dit wit te laten, de rest had ze gekleurd (cfr. figuur – achtergrond). De juf kon zich met dit antwoord niet verzoenen.


Meld aan of registreer om dit leermiddel volledig te bekijken

Registreren vraagt maar één minuut.
Leraren delen lesmateriaal en -inspiratie met jou
  • gratis lesmateriaal;
  • voor alle leeftijden en vakken;
  • makkelijk doorzoekbaar op lesonderwerp.
Registreer   Veilig en gratis
Je bent al lid? Meld aan
Niveau en vak
Kleuter
Lager
BuLO
ASO (en 1A)
BSO (en 1B)
KSO
TSO
BuSO
Niet vakgebonden
Onderwijsbehoefte
Algemeen
Categorie
Praktijkvoorbeeld/verhaal
Trefwoorden
agendaautismecommunicatiemiddelfotoorganisatieorganiserenpictopictogramschoolagendastappenplanstructuurtekeningverwijzervisualisatievisualiserenleerzorgschooltaal